Door: Ria de Bruijn
Toen Adrianus Leonardus Onderwater in 1937 door de bisschop van Haarlem benoemd werd tot pastoor van de parochie Hoek van Holland/Heenweg, wees niets erop dat zijn leven zo tragisch zou eindigen als het geëindigd is.
Hij was de oudste zoon in een gezin van zeven kinderen, geboren in 1893 en zoals in
veel goed-katholieke gezinnen wilde Arie priester worden. Hij werd in 1917 tot priester gewijd en doorliep de gebruikelijke hiërarchie; hij was kapelaan in Hoofddorp, van 1921 tot 1924 was hij kapelaan in Poeldijk en daarna nog in Gouda en Amsterdam. Kapelaan, later pastoor Onderwater was een echte familieman en bezocht vaak zijn ouders in Wassenaar en zijn broer met zijn gezin in Den Haag, altijd per motor. De kinderen van zijn broer herinneren zich hem als een aardige, meelevende en
sportieve oom bij wie ze in de jaren 30 mee mochten rijden achterop de motor.
In 1937 werd hij de achtste pastoor van de parochie H. Egbertus & H. Lambertus, twee kerken, één parochie. De oudere parochianen weten het nog: een rustige, behulpzame pastoor, bijgestaan door kapelaan Brinkman. Hij was handig; legde in het Staelduinse bos telefoon aan; in 1940 repareerde hij eigenhandig, samen met zijn broer, de ruiten van de
pastorie die bijna allemaal bij een bombardement gesneuveld waren.
Maar pastoor Onderwater had ook een sterk gevoel voor wat goed en rechtvaardig was
en de bezetting van ons land door de Duitsers was niet goed en was onrechtmatig en dat liet hij merken ook. Nooit nam hij een blad voor de mond en hij weigerde een H.Mis op te dragen alleen voor Duitse soldaten en tijdens de inkwartiering van de Duitsers in de pastorie vielen er harde woorden. Ook in zijn preken ging hij tekeer tegen de leer van de Nazi’s. Parochianen waren hier ongerust over en mompelden na de vieringen: “Als dat maar goed gaat”.
Het ging NIET goed. Al eind juli 1941 moest pastoor Onderwater zich melden bij de
Sicherheits Dienst in Rotterdam. Na de Mis opgedragen te hebben vertrok hij zelf met de trein uit Hoek van Holland. Het bleek een enkele reis te zijn, want pastoor Onderwater is nooit meer teruggekomen uit zijn gevangenschap.
Een bezoek aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, het NIOD, heeft
ons veel geleerd over de tijd van de pastoor in de verschillende kampen.
Eerst in Rotterdam, van waaruit hij nog intensief contact onderhield met zijn
parochie; hij krijgt bezoek van parochianen, en regelt parochiële zaken met kapelaan Brinkman en via zijn “gedienstigen” Sjaan en Anna.Hij schrijft op 19 september 1941: “Een kleine kans voor me om ontslagen te worden…Laten we hopen dat ik niet al te zeer optimist ben”.
Maar dan, eind 1941 een brief van Parkhaven Rotterdam: “Eenigen van mijn buren op de Haagse Veer zijn ter dood veroordeeld, eenvoudige boerenjongens, die een Engelse vlieger geholpen hebben.
Of ze nog gratie krijgen is de vraag. Wat zal het met mij worden. Ze worden hoe langer zoo strenger, schijnt. De moed er maar in. Hartelijke groet, Arie”.
En dat is de rode draad door alle ellende van de kampen heen: zijn moed.
Van Rotterdam wordt pastoor Onderwater naar kamp Amersfoort gebracht, waar het leven nog draaglijk is. Voorjaar 1943 blijkt hij al naar kamp Vught overgebracht te zijn, het SS-kamp in Nederland, waar een zeer streng regime heerst. Op briefpapier dat door de kampleiding wordt verstrekt staat de kampverordening gedrukt: “Bezoek in het kamp is verboden; elke gevangene mag per maand twee brieven van elk 15 regels schrijven en ontvangen; alles moet goed leesbaar zijn; pakketten zijn verboden.
In het diepste geheim ontmoet pastoor Onderwater als het nog donker is, achter de barakken, enkele medegevangenen aan wie hij de H.Communie geeft; hij troost de wanhopigen en spreekt hen moed in. Hij behield toch een zekere vorm van humor, want met Pasen 1944 schrijft hij aan zijn plaatsvervanger, kapelaan Brinkman:
“Precies vandaag 7 jaar geleden overdracht in Den Hoek, dus 7 jaar pastoor, met enige
“kampreductie”.
En dan wordt het 6 juni 1944, D-Day. De Nederlandse grond wordt de Duitsers te heet onder de voeten en ongeveer 80 gevangenen,onder wie pastoor Onderwater, uit kamp Vught worden in een veewagen naar Sachsenhausen in Duitsland vervoerd. Vanuit Duitsland heeft de familie Onderwater geen brieven meer ontvangen, maar over de periode september ’44 – maart ’45 zijn we ingelicht door brieven die overlevenden vlak na de oorlog schreven aan de ouders van pastoor Onderwater. En dat zijn ontroerende getuigenissen.
Ik citeer een gedeelte uit een brief van de heer P.L. Gerritse aan de heer en mevrouw Onderwater in Wassenaar. “Het geschiedde op 8 september 1944. We waren op 4 Sept.
te Vught met z’n tachtigen in een beestewagen opgesloten. We hebben daar tot vrijdagmorgen, d.i. ongeveer 65 uur moeten doorbrengen met een stuk brood en
haast geen drinken. Geradbraakt kwamen we morgens 8/9 in Sachsenhausen aan.
Toen hebben we van ’s morgens 8 tot’s middags 5 uur moeten staan, zeg. En toen
we dachten eindelijk eens na 3 nachten weer naar bed te kunnen, werden we
opnieuw bij elkaar geroepen, moesten we aantreden en doodelijk vermoeid als we
waren, werden we op transport gesteld naar Oraniënburg naar de quarantaine,
ruim 60 km.gelegen van Sachsenhausen. Een geforceerde marsch met 13 bloedhonden
om je op te jagen. Niemand mocht uitvallen. U moet weten dat ik 62 jaar oud en
gebrekkig ben. U kunt begrijpen dat ik al spoedig uitgeput was en niet verder
kon. Mijn beenen weigerden dienst. Toen deed ik iets wat zeer gevaarlijk was:
ik liep uit de rij en zette mij aan de kant van den weg. Direct schoot een SS-er op mij af, met zijn geweer in aanslag. Hij tierde en zou mij stellig hebben doodgeschoten….. Plotseling schiet pastoor O. uit de rij, neemt me voor de oogen van dien SS-er onder den arm en zegt: Vooruit Gerritse, moed houden, we zullen je wel helpen. Hij sleept me de rij weer in en tesamen met een andere gevangene droegen zij me verder. Zóó heb ik het eindpunt gehaald. Dank zij het reddende ingrijpen van Uw zoon.”
Een bijzondere brief ontvangt de familie van het advocatenkantoor Bunker, Hendrix en De Pont uit Amsterdam. Zij schrijven als troost: “Hem vielen ontzettende beproevingen ten deel, hij is een held en een martelaar voor de goede zaak en verheugt zich nu in het eeuwig
leven”. Maar zij schrijven ook: “Het is afschuwelijk zooals wij in deze door zijn beulen
misleid zijn geworden. Herhaaldelijk werd mij uit Den Haag verzekerd, dat de pastoor binnenkort zou worden vrijgelaten, doch Berlijn heeft dat blijkbaar stelselmatig tegengewerkt.
Een briefschrijver vertelt dat pastoor Onderwater samen met andere geestelijken en
predikanten opzettelijk vanuit Oraniënburg naar Bergen-Belsen is vervoerd om
daar te sterven; er heerste daar een dodelijke besmettelijke ziekte.
Op 25 maart 1945 is pastoor Onderwater bezweken aan deze ziekte, enkele weken later,
in april ’45, stierf Anne Frank in datzelfde kamp.

Recente reacties